Ecologische opvolging van de vooroevers

In het kader van het realiseren en opvolgen van het luik Rivierherstel binnen het Seine-Scheldeproject voert het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) onderzoek uit op verschillende aspecten van de ecologie van de Leie. Eén facet omvat de opvolging van natuurvriendelijke vooroevers.

Tal van variabelen hebben een invloed op de milieutechnische richtlijnen van een ecologisch functionele vooroever die bovendien ook voldoende stabilisatie biedt. Om inrichtingswerken en dus het rivierherstel te optimaliseren is bijgevolg een gedetailleerde opvolging nodig.

Door de opvolging van een aantal fysische en biotische variabelen wenst het INBO te achterhalen hoe goed de gerealiseerde vooroevers ecologisch functioneren. Hiertoe worden ze gemonitord en geëvalueerd. Niet enkel de ecologische evolutie van het oeversysteem wordt opgevolgd, ook de oeverstabiliteit, beide gaan immers hand in hand.

Om de ecologische evaluatie mogelijk te maken, wordt een referentieschaal opgesteld voor de verschillende monitoringsvariabelen van de (voor)oeverstructuren langsheen de Leie. Op deze manier krijgt de infrastructuurbeheerder een oordeel over de functionaliteit van de gerealiseerde vooroevers. Indien er ongunstige evaluaties zijn, is het mogelijk om milieutechnisch bij te sturen in het ontwerp van de vooroever.



In 2009 werd voor een eerste keer voor elk van de vooroevers de habitatdiversiteit, vegetatiestructuur en broedvogels opgevolgd. Voor deze variabelen werden ook referentiegebieden opgenomen in het monitoringsschema. Dit zijn enerzijds goed ontwikkelde habitats met ondermeer rietkragen en zeggevegetaties en anderzijds de natuurwaarden ter hoogte van de betonnen oeververstevigingen.

Zes vooroevers worden meer in detail onderzocht. Naast habitatdiversiteit, vegetatiestructuur en broedvogels is hier aandacht voor de habitatontwikkeling (morfologische structuurevolutie). De evolutie in deze vooroevers wordt vergeleken met niet verdedigde (betonplaten ingeschoven en vaak gebroken) afkalvende oevers.



Specifieke aandacht bij het broedvogelonderzoek gaat naar de oeverzwaluwen. De nestlocaties worden in detail gekarteerd. In een recent rapport (INBO.R.2009.2) wordt ingegaan op het complex van factoren die een rol spelen ten aanzien van de geschiktheid van een oeverwand. Er wordt ingegaan op een minimum in stand te houden populatie en de nodige oeverlengte om dit te realiseren langsheen de gekanaliseerde Leie (zie ook Grenzeloze Schelde Nieuws 45).

Bron: Maud Raman en Guther Van Ryckeghem, INBO

Referenties (rapporten downloadbaar op www.inbo.be):

Raman, M. & K. Decleer (2009). Randvoorwaarden voor een duurzame populatieontwikkeling van oeverzwaluwen langs de Leie. Voorstellen voor inrichting en beheer van oeverzwaluwranden langs de Leie. INBO.R.2009.2.

Verboven A., Raman M. & K. Decleer (2008). Verkennende ecologische gebiedsvisie voor de vallei van de Gouden Leie (Wervik-Deinze). INBO.R.2008.32. 370 pp.

Verboven A., Raman M. & K. Decleer (2008). Verkennende ecologische gebiedsvisie voor de vallei van de Gouden Leie (Wervik-Deinze). Deelgebiedfiches. INBO.R.2008.20. 156 pp.


>> Terug naar de hoofdtekst
>> Terug naar de inhoudsopgave

 

Reacties op de nieuwsbrief en/of voorstellen voor artikels zijn welkom >>